Kunstgeschiedenis
Hoe is de opleiding ingedeeld?
Bij Kunstgeschiedenis aan de VU kijk je naar de bestaande kunst- en architectuurproductie. Je leert over de ontwikkelingen door de jaren heen. Je krijgt een overzicht van de westerse kunstgeschiedenis en leert zowel over oude meesters als over hedendaagse architectuur. Je leert reflecteren op het vak en je past de kennis die je verworven hebt toe, bijvoorbeeld door onderzoek te doen of een presentatie te houden. Ook leer je zelfstandig en kritisch stelling te nemen ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen op je vakgebied. De opleiding besteedt veel aandacht aan je toekomstige beroepsuitoefening.
Het programma
De bacheloropleiding Kunstgeschiedenis duurt drie jaar. Tijdens de opleiding volg je hoorcolleges, werk- en discussiecolleges en colleges op locatie. De colleges en tentamens zijn overdag.
Eerste jaar
In het eerste jaar leg je de basis. Je krijgt een introductie in het vakgebied en daarna (voor wie de majoren Beeldende kunst en Architectuurgeschiedenis combineert) een overzicht van de kunst- en architectuurgeschiedenis. Daarnaast werk je aan academische vaardigheden zoals schrijven, presenteren en discussiëren.
Voor vakomschrijvingen per jaar, per major, kijk in de studiegids.
Tweede en derde jaar
In het tweede en derde jaar is ruimte voor verdieping. In het tweedejaarsvak Architectuur van de renaissance en barok leer je meer over bijvoorbeeld de architectuur, stedenbouw en tuin- en landschapsarchitectuur in de periode 1400-1800. Behalve de verschijningsvorm (het ontwerp) komt ook de context (sociaal, cultureel, politiek, economisch) aan de orde. In het werkcollege Beeldende kunst 1800-heden bestudeer je onder andere de roemruchte jaren zestig. Een periode waarin niet alleen de kunst, maar ook het sociale en politieke leven ingrijpend veranderden. Wat is mythe? Wat was werkelijkheid? Welke kunst is inmiddels gedateerd en wat is nog steeds actueel?
In het derde jaar heb je vrije keuzeruimte die je naar eigen inzicht invult. Dit doe je met een minor, bijvoorbeeld vakken die je specialisme ondersteunen, of je gaat studeren in het buitenland of een stage lopen. De opleiding sluit je af met een scriptie, waarbij een docent uit de opleiding je begeleidt.
Verdere verbreding en verdieping
In het totale bachelorprogramma zijn 20 studiepunten gereserveerd voor de zogenaamde minor ruimte. Je vult deze ruimte met onderdelen van minimaal 10 punten, die je in je derde jaar kunt kiezen.
Deze minor is bedoeld ter verbreding of verdieping van de eerste major of de combinatie van majoren en is zoveel mogelijk een samenhangend geheel van onderdelen. Per opleiding of combinatie van majoren zijn aanbevolen minorpakketten vastgesteld. Deze zijn te vinden bij de betreffende opleiding in de studiegids. In principe is de minor vrije keuze, maar bij bepaalde majorcombinaties wordt de minorruimte verplicht ingevuld, al of niet met het oog op aansluiting op bepaalde masteropleidingen, zoals de master Museumconservator of de master Erfgoedstudies.
Kijk hier voor meer informatie over de minoren en keuzevakken.
Jaarindeling
Het jaar is ingedeeld in twee semesters, die elk bestaan uit 3 perioden: 2 perioden van 8 weken en 1 periode van 4 weken. De perioden van 8 weken bevatten 7 weken college, gevolgd door een tentamenweek. De perioden van 4 weken (de maanden januari en juni) zijn bestemd voor zelfstudie, het afronden van werkstukken en intensieve cursussen of excursies.
Tentamenweken
Er zijn 6 tentamenweken per jaar, aan het eind van iedere periode. Voor ieder tentamen krijg je in principe één herkansing.