Home > Onderwijs > Bacheloropleidingen > Nederlandse taal en cultuur > Hoe is de opleiding ingedeeld?

Nederlandse taal en cultuur

Hoe is de opleiding ingedeeld?

De bacheloropleiding Nederlandse taal en cultuur duurt drie jaar. Je volgt hoor- en werkcolleges. Bij hoorcolleges draait het om kennis, om inzichten uit de vakliteratuur. Bij werkcolleges ga je zelf aan de slag. In kleine groepjes doe je onderzoek en werk je opdrachten uit.

De opleiding bestaat uit twee majoren (hoofdvakken): Nederlandse letterkunde en Nederlandse taalstudies. Maar je kunt ook andere combinaties kiezen. Kijk hier voor meer informatie over de twee majorenstructuur.

Eerste jaar

In het eerste jaar van de opleiding leg je de basis: je maakt kennis met de Nederlandse literatuurgeschiedenis of met de Nederlandse taal in brede zin (afhankelijk van de majoren die je kiest). Je volgt hoorcolleges waarin je nieuwe kennis en inzichten uit de vakliteratuur opdoet. Bij werkcolleges doe je zelf onderzoek en werk je opdrachten uit.

In het eerste jaar maak je bij de major Nederlandse letterkunde grondig kennis met de literatuur vanaf de Middeleeuwen tot nu. Je leert belangrijke werken lezen, analyseren en bestuderen in de context van de tijd waarin ze verschenen. Denk aan Van den vos Reynaerde, Gysbrecht van Amstel van Vondel, Max Havelaar van Multatuli, De avonden van Gerard Reve, en Tirza van Arnon Grunberg.

Bij de major Nederlandse taalstudies benader je de taal op een eigen manier. Wat bepaalt bijvoorbeeld de kwaliteit en effectiviteit van teksten en gesprekken? Taalbeheersers willen weten wat de eigenschappen van een goede tekst zijn. Waarom is de ene tekst beter dan de andere? Taalkundigen bekijken taal vooral als systeem; bestaat er eigenlijk wel zoiets als ‘het’ Nederlands? Hoe verklaren we de verschillen? Bij Nederlandse taalstudies leer je dit soort vragen aan te pakken.

Tweede en derde jaar

In het tweede jaar wordt bij de major Nederlandse letterkunde de kennis van de literatuur verder uitgebreid en verdiept. Ook volg je colleges over literaire teksten en benaderingen, en over boekwetenschap en het literaire bedrijf.

In het derde jaar ga je steeds zelfstandiger met literaire teksten aan de slag. Je leert hoe je wetenschappelijke vragen formuleert en welke methoden je kunt gebruiken om die te beantwoorden. Ook kies je voor een specialisatie in een bepaalde periode binnen de Oudere letterkunde (middeleeuwen-1830) of de Nieuwere letterkunde (1830-heden). Je onderzoekt en doet daarover verslag in werkcolleges. Twee voorbeelden van een onderwerp in de huidige cursus: het dierenverhaal als literair genre, en De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch.  

In het tweede jaar van de major Nederlandse taalstudies verdiep je jouw kennis van de Nederlandse taal. Zo leer je wat de kwaliteit en effectiviteit van teksten en gesprekken bepaalt. Je krijgt theorie over grammatica en over problemen bij het beschrijven van het Nederlands. Ook kies je voor een specialisatie: taalbeheersing of taalkunde.

In het derde jaar ga je je verder specialiseren. Denk aan hoor- en werkcolleges over de variatie binnen het Standaardnederlands en binnen de diverse dialecten. In een ander taalkundig werkcollege doe je mee met lopende onderzoeksprojecten van de docenten. Het kan dan gaan over het koloniale Nederlands in de USA, of over een theorie die je kunt toepassen om het gedrag van lastige Nederlandse woordjes als ‘wel’ of ‘toch’ in kaart te brengen. Vaak schrijven studenten de bachelorscriptie op basis van hun activiteiten in zo’n college.

Je sluit de bachelor af met een scriptie (10 studiepunten). In de regel sluit de scriptie aan bij een van de bachelorvakken uit het derde jaar die deel uitmaken van je eerste major.

Verdere verbreding en verdieping

In het tweede en derde jaar van het bachelorprogramma is er ruimte voor een minor van minimaal 20 en maximaal 30 studiepunten.

Deze minor is bedoeld ter verbreding of verdieping van de eerste major of de combinatie van majoren en is zoveel mogelijk een samenhangend geheel van onderdelen. Per opleiding of combinatie van majoren zijn aanbevolen minorpakketten vastgesteld. Deze zijn te vinden bij de betreffende opleiding. In principe is de invulling van de minor vrij, maar bij bepaalde majorcombinaties wordt de minorruimte verplicht ingevuld, al of niet met het oog op aansluiting op bepaalde masteropleidingen, zoals de lerarenopleidingen. Kijk hier voor meer informatie over de minoren en keuzevakken.

Jaarindeling

Het jaar is ingedeeld in twee semesters, die elk bestaan uit 3 perioden: 2 perioden van 8 weken en 1 periode van 4 weken. De perioden van 8 weken bevatten 7 weken college, gevolgd door een tentamenweek. Week 7 wordt soms ook gebruikt als inhaalweek, herhalingsweek, voor proef- of deeltentamen, dagexcursie of vragenuurtje. De lesstof is dan verdeeld over 6 weken.

De periode van 4 weken (de maanden januari en juni) is bestemd voor zelfstudie, het afronden van werkstukken en intensieve cursussen of excursies.  
 
Tentamenweken
Er zijn 6 tentamenweken per jaar, aan het eind van iedere periode. Voor ieder tentamen heb je in principe 1 herkansing.

Jaarschema Nederlandse taal en cultuur

© Copyright Vrije Universiteit Amsterdam

spamfuik@vu.nl