Taalwetenschap
Hoe is de opleiding ingedeeld
De bacheloropleiding Taalwetenschap duurt drie jaar. Je krijgt cursussen op het gebied van zowel de theoretische als de toegepaste taalwetenschap. Je volgt zowel hoorcolleges als werkcolleges. Bij hoorcolleges draait het om kennis, om inzicht uit de vakliteratuur. Bij werkcolleges ga je zelf aan de slag. In groepen van maximaal twintig studenten werk je aan opdrachten en diep je de literatuur verder uit. Je oefent daarmee je algemene academische vaardigheden, zoals werkstukken schrijven, presentaties houden, wetenschappelijk onderzoek opzetten en uitvoeren en gegevens analyseren.
Twee majoren
Taalwetenschap aan de VU kent een tweemajorenstructuur. Dat wil zeggen dat je de major (hoofdvak) Taalwetenschap altijd combineert met een tweede major die goed op je studie aansluit. Je kunt kiezen uit Nederlandse taalstudies, Engelse taalkunde, Spaans, Frans of Duits. Je vult je minorruimte (keuzeruimte) met vakken die aansluiten op de specialisatie van jouw keuze.
Meer informatie over de combinatiemogelijkheden
Het programma
Eerste jaar: basiskennis opdoen
In het eerste jaar leg je de basis. Je volgt inleidende vakken zoals Kindertaalverwerving en Tweedetaalverwerving. Daarnaast leer je een aantal algemene academische vaardigheden zoals schrijven, discussiëren en presenteren. Al meteen vanaf het eerste jaar volg je vakken van zowel je eerste als je tweede major.
Tweede en derde jaar: verdieping en keuzeruimte
In het tweede en derde jaar is er meer ruimte voor verdieping en eigen keuze. Je volgt nog steeds een aantal verplichte vakken, maar je kunt ook een tijdje in het buitenland studeren. Of je volgt interessante keuzevakken van andere opleidingen (zoals Nederlands, Engels of Culturele antropologie). In je derde jaar kies je tussen Theoretische en Toegepaste taalwetenschap. Je sluit de opleiding af met een scriptie . Een docent van de opleiding begeleidt je daarbij.
Belangrijke vakken
Je volgt twaalf cursussen per jaar: vier voor je eerste major, vier voor je tweede major, twee algemene cursussen en twee minors. Belangrijke vakken zijn:
- Kinder- en tweedetaalverwerving: hoe verwerven kinderen hun moedertaal, hoe gaat dat bij een tweede taal en wat zijn de verschillen?
- Syntaxis en semantiek: hoe zit een taalsysteem in elkaar, hoe kun je het beschrijven en wat is het verband tussen structuur en betekenis van taal?
- Vreemde talen leren en onderwijzen: welke methoden zijn er om vreemde talen te onderwijzen, wat zijn de sterke en de zwakke punten en hoe kun je stagnaties bij het leren van een taal verhelpen?
- Nederlands als tweede taal: hoe kun je aan anderstaligen Nederlands leren, welke aanpak is effectief en hoe maak en geef je als docent een taalcursus?
Theoretische taalwetenschap
In de theoretische taalwetenschap staan taalstructuur, taalbeschrijving, taalanalyse en taalvergelijking centraal. Je leert hoe je verschillende aspecten van taal analyseert en beschrijft, zoals het klanksysteem, de woordbouw en de grammatica. Ook leer je hoe je de computer kunt inzetten bij dit onderzoek.
Toegepaste taalwetenschap
Binnen de toegepaste taalwetenschap bestaan twee specialisaties: Nederlands als tweede taal en Taalleerstoornissen.
1. Nederlands als tweede taal
Deze specialisatie gaat over tweedetaalonderwijs en is dus praktijkgericht. Maar er zijn ook theoretische componenten, zoals taalverwervingstheorieën. Je combineert kennis over taal, taalverwerving en didactiek van het taalonderwijs. Je verdiept je bijvoorbeeld in de taalachterstanden van allochtone kleuters. Of in de rol die taal speelt bij de schooluitval van allochtone middelbare scholieren. Of in de wijze waarop het inburgeringproces van nieuwkomers plaatsvindt. Je doet studie naar de precieze aard en oorzaak van de problemen en je maakt kennis met mogelijke oplossingen. Daarbij komen vragen aan bod als: volgens welke principes kun je onderwijs inrichten, cursussen ontwerpen of leermaterialen maken? Hoe meet je het rendement van een lesmethode of het effect van een training? Hoe zinvol is grammaticaonderwijs? Wat is de beste manier om luister-, spreek-, schrijf- of leesvaardigheid te trainen?
Tijdens de stage in de masteropleiding breng je je kennis in praktijk. Bijvoorbeeld bij een onderwijsinstelling, een schooladviesdienst, een toetsingsinstituut of een uitgeverij. Je geeft les aan anderstaligen, werkt aan de ontwikkeling van leermiddelen of toetsen, de scholing van docenten of aan onderzoek op het gebied van taalonderwijs of taalverwerving. Dankzij de goede contacten met allerlei instellingen op het gebied van taalonderwijs en -onderzoek bestaan er veel mogelijkheden om je stage in te vullen, zowel in Nederland als in het buitenland.
2. Taalleerstoornissen
Een aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs heeft veel problemen met schriftelijke taalverwerving. Deze leerlingen hadden vaak al op de basisschool problemen met het vlot leren lezen en spellen. We spreken van ernstige lees- en spellingproblemen of van dyslexie. Eenmaal in de brugklas hebben deze leerlingen grote moeite om zich te handhaven in het vreemdetalenonderwijs. In deze specialisatie bestudeer je vragen als: welke problemen ontmoeten dyslectische leerlingen bij het leren van een vreemde taal als het Engels? Hoe beoordeel je spellingfouten? Is voor leerlingen met ernstige lees- en spellingproblemen elk van de vreemde talen even moeilijk? Je leert hoe je deze leerlingen opspoort en hoe je een nadere diagnose stelt. Je oefent met het opzetten van een behandelingsplan. Ook leer je begeleidingsmateriaal ontwikkelen. Tijdens de stage breng je het geleerde in praktijk .
Verdere verbreding en verdieping
In het totale bachelorprogramma is de ruimte voor de minor minimaal 20 en maximaal 30 studiepunten, te vullen met onderdelen van minimaal 10 studiepunten en te kiezen in het tweede en/of derde jaar.
Deze minor is bedoeld ter verbreding of verdieping van de eerste major of de combinatie van majoren en is zoveel mogelijk een samenhangend geheel van onderdelen. Per opleiding of combinatie van majoren zijn aanbevolen minorpakketten vastgesteld. Deze zijn te vinden bij de betreffende opleiding. In principe is de minor vrije keuze, maar bij bepaalde majorcombinaties wordt de minorruimte verplicht ingevuld, al of niet met het oog op aansluiting op bepaalde masteropleidingen, zoals de lerarenopleidingen.
Kijk hier voor meer informatie over de minoren en keuzevakken.
Jaarindeling
Het jaar is ingedeeld in twee semesters, die elk bestaan uit 3 perioden: 2 perioden van 8 weken en 1 periode van 4 weken. De perioden van 8 weken bevatten 7 weken college, gevolgd door een tentamenweek. Week 7 kun je ook invullen als inhaalweek, herhalingsweek, voor proef- of deeltentamen, dagexcursie of vragenuurtje. De lesstof moet je dan indelen in 6 weken.
De periode van 4 weken (de maanden januari en juni) is bestemd voor zelfstudie, het afronden van werkstukken en intensieve cursussen of excursies.
Tentamenweken
Er zijn 6 tentamenweken per jaar, aan het eind van iedere periode. Voor ieder tentamen heb je in principe 1 herkansing.